De groeiende markt van de vierwielaangedreven vrijetijdswagens
Halfweg de jaren zestig trokken Rover-ingenieurs naar Amerika om ideeën op te doen die de verkoop van het merk in de V.S. konden stimuleren. De concessiehouders daar bevestigden dat de markt van de vierwielaangedreven vrijetijdsmodellen groeide. Deze wagens waren aantrekkelijk voor wie hield van slepen, kamperen en het buitenleven in het algemeen maar toch een wagen wilde die goed presteerde op de snelweg en in de stad.
Het aanbod beperkte zich tot een handvol grote Amerikaanse modellen. De Jeep Wagoneer, Ford Bronco en International Harvester Scout waren ruime, comfortabele station wagons met een inschakelbare vierwielaandrijving voor een zeker terreinpotentieel en pittige motoren voor redelijke prestaties op de weg. Zo’n model bestond in Europa niet. De Land Rover-ingenieurs evalueerden deze Amerikaanse modellen. Ze boden weliswaar een interessante mix van capaciteiten maar konden in de praktijk niet tippen aan de 4x4-kwaliteiten van een Land Rover of het comfort van een normale berline.
“De Range Rover werd uiteindelijk een heel andere wagen. De constructeur stelde zich als doel een echte 4x4 met een hoogstaand rijcomfort en dito wegkwaliteiten te ontwikkelen. Ik dacht dat het mogelijk moest zijn om veel meer comfort te bieden dan een Land Rover zonder te raken aan zijn terreinkwaliteiten,” aldus King. “En toen was er de V8-motor, die Rover ging lenen bij General Motors. Het plaatje was compleet en niemand kon ons tegenhouden. Onze Amerikaanse invoerders lieten ons weten dat de markt van de vierwielaangedreven vrijetijdsmodellen een hoge vlucht zou nemen.
Door het initiële succes van de wagen in Europa zou het uiteindelijk nog zeventien jaar duren (tot 1987) voor de Range Rover in Noord-Amerika werd gelanceerd. “Ik denk niet dat er haast was om naar Amerika te trekken. De unieke nieuwe veiligheids- en emissienormen van de V.S. waren te duur om te halen,” voegde hij toe.
De '100-inch station wagon'
In 1966 begon Land Rover te werken aan het prototype van de eerste Range Rover, de ‘100-inch station wagon’. “Het moest een hoogwaardige vrijetijdswagen worden, maar niet echt een luxewagen,” aldus de toenmalige projectingenieur Geof Miller. “Hij moest ook op technisch vlak avontuurlijk worden. Spen was ervan overtuigd dat het model net als een gewone auto vooraan en achteraan schroefveren moest krijgen om het rijcomfort op de weg te verzekeren en geen enkele andere 4x4 bood die aan. Om de soepelheid op het terrein te garanderen, moest hij een ophanging met erg lange veeruitslag krijgen. Andere technische nieuwigheden waren het aluminium koetswerk (net als de Land Rover), een volledig aluminium motor en schijfremmen rondom. (Zie hoofdstukje ‘Technologie’ voor meer informatie).
In die tijd genoten Land Rovers een uitzonderlijke populariteit. Binnen Land Rover waren er dan ook heel wat twijfels over de nood aan en de vraag naar zo’n wagen. Een van de twijfelaars was Land Rovers hoofdingenieur Tom Barton, een hoofdrolspeler in de ontwikkeling van de eerste Land Rover en een voormalige spoorwegingenieur. Hij bleef bij zijn standpunt dat bladveren, zoals bijna elke 4x4 uit die tijd die gebruikte, de beste oplossing waren voor terreinwagens. Alleen enkele grote Amerikaanse 4x4-modellen hadden schroefveren vooraan. Het feit dat de autoafdeling van Rover de drijvende kracht was achter de Range Rover, vervreemdden Barton en enkele andere diehards binnen Land Rover nog verder.
‘Een Land Rover voor de prijs van een Rover berline’
Ook de verkoopafdeling van Land Rover was ongerust. “Hoe kunnen we een Land Rover verkopen voor de prijs van een Rover 2000 berline? Dat was hun grootste zorg,” aldus Geof Miller. “Ze wisten niet zeker wat voor een auto het zou worden en welk publiek hij zou aanspreken. Dat is altijd een hele uitdaging met een nieuw type van auto.”
Volgens Spen King bestond het doelpubliek uit ‘oudere legerofficieren, werfleiders, welgestelde landbouwers en dergelijke’. De Range Rover wist ze inderdaad allemaal te overtuigen, en hen niet alleen. “Om eerlijk te zijn, lokte hij allerlei mensen die we nooit hadden verwacht,’ voegt Miller toe.
Er werden slechts 10 prototypes gebouwd voor de eerste productiewagen van de band liep in Solihull. De eerste prototypes droegen de naam ‘Velar’ naar het Spaanse ‘velar’ (zorgen voor, toezien op) en het Italiaanse ‘velare’ (sluieren, afdekken). De uiteindelijke naam ‘Range Rover’ werd geopperd door stylist Tony Poole, nadat andere namen (waaronder Panther en Leopard) werden geweigerd.
‘Vier auto’s in een’
De Range Rover werd op 17 juni 1970 aangekondigd in de wereldpers. De perslancering ging door in Cornwall, met terreintests in de tinmijnen bij St.-Agnes. De eerste verkoopbrochures voor de Range Rover hadden het over de “meest veelzijdige auto ter wereld” en de “combinatie van het comfort van een Rover met de kracht en 4x4-mobiliteit van een Land Rover”.
“De Range Rover verenigt eigenlijk vier auto’s in een,” legt Managing Director Phil Popham uit. “Hij is een luxewagen voor elke dag, een vrijetijdsvoertuig dat u over snelwegen en ruwe terreinen naar het einde van de wereld brengt, een uiterst performante reiswagen en een werkpaard voor elk terrein.”
De Range Rover kon het allemaal. Geen enkele andere ter wereld kon ook maar tippen aan die mix van kwaliteiten.
Bij de lancering werd ook meer rekening gehouden met het doelpubliek. De brochure omschreef het als volgt: “zakenlui en professionele gebruikers met een voorkeur voor de buitenlucht, mensen die een speciaal gebouwde eerder dan een aangepaste auto zoeken, ‘the real thing’ in plaats van een compromis”.
Een auto ‘voor alle seizoenen’
De persmap noemde de auto “de Range Rover Station Wagon” (maar de term ‘station wagon’ liet men al gauw vallen) en vertelde dat hij “zich even goed thuis voelde op een ranch in Texas als op de inhaalstrook van de snelweg in Europa”. Hij werd ook omschreven als een “auto voor alle seizoenen”, een catchy slagzin die bleef hangen.
Het eerste marketingmateriaal zette het sleepvermogen van de auto in de verf: de Range Rover was “een krachtige sleepauto, perfect geschikt om een caravan, boot of paardentrailer te trekken, een wagen die alle normale stress, twijfels en zorgen van het slepen wegneemt.” Men benadrukte ook de snelwegcapaciteiten, een primeur voor 4x4-modellen: “Op hoofdwegen en snelwegen haalt de Range Rover snelheden tot meer dan 140 km/u.”
Ook zijn vermogen om in alle luxe ruwe terreinen aan te pakken stond centraal: “Beleef de sensationele ervaring om recht van de weg over een ruw veld te rijden zonder verandering van snelheid of wijziging in de rijeigenschappen van de wagen, en u weet dat de Range Rover een heel bijzondere wagen is.”
Roger Crathorne, later hoofd van Land Rover Experience, werkte als ingenieur mee aan de ontwikkeling van de eerste Range Rover. “Ik herinner me de eerste keer dat ik met een prototype op het MIRA-testcircuit in Engeland reed. Het was fantastisch. Ik reed op een bepaald moment 160 km/u op het circuit. Het was een uitzonderlijke auto: comfortabel, snel, een schitterende en ruime reiswagen. Al even indrukwekkend waren zijn terreincapaciteiten, die veel beter waren dan bij om het even welke Land Rover uit die tijd. Dat was te danken aan de uitslag van de schroefveren. De veeruitslag was het dubbele van bij een normale Land Rover en was comfortabel en capabel over uw terrein.”
’s Werelds eerste luxe-4x4
De Range Rover maakte al gauw naam als ’s werelds eerste luxeterreinwagen. Maar hoewel hij een luxueus rijcomfort en hoogwaardige berlineprestaties bood, had hij niet bepaald het interieur van een luxewagen. Daarop was het nog enkele jaren wachten.
De eerste Range Rover was een relatief Spartaanse wagen vanbinnen, met zetels in vinyl en een rubberen vloerbekleding zodat je het interieur gemakkelijk kon schoonspuiten. Van hout of leder was geen sprake, van tapijten ook niet. “Het was zeker geen luxewagen, toch niet in het begin,” aldus Spen King. “Hij was in veel opzichten vrij basic.”
Geof Miller gaat voort: “Dat ruwe interieur was een zoethoudertje voor de mensen van Land Rover, die (in tegenstelling tot de ingenieurs van Rover) een eenvoudig, afspuitbaar interieur wilden. De verkoop ging uitstekend. Er was bijna onmiddellijk een zwarte markt want de vraag oversteeg het aanbod. Maar we wisten dat het interieur te rudimentair was. Bijna onmiddellijk werden er beslissingen genomen om het interieur op te waarderen met onder meer een betere bekleding. De tapijten volgden vrij snel, eerst op de transmissietunnel, waar ze het leuke neveneffect hadden dat ze het gehuil van de transmissie dempten. De kofferruimte, die op de prototypes in naakt metaal was uitgevoerd, werd al snel bekleed, inclusief afdekking voor de gereedschapsset. Dat was deels te danken aan feedback van Buckingham Palace. Het gereedschap lag bloot in de koffer en een man van het paleis liet weten dat de corgi-honden er zich aan konden kwetsen.”
Slechts twee deuren
De originele Range Rover had slechts twee deuren en was niet verkrijgbaar met een optionele automaat, al had een van de eerste prototypes op Land Rover-basis een drietrapsautomaat van Borg Warner. Geof Miller bleef ook na de lancering werken aan de Range Rover en begreep al snel dat een vierdeurskoetswerk essentieel was. Achttien maanden na de lancering werd een vierdeurs prototype met hatchback-achterkant gebouwd. De directie gaf echter geen groen licht. Het seriemodel met vier deuren kwam er pas in 1981, De automaat pas in 1982. Beide waren essentieel voor het succes van de wagen in de V.S., waar de wagen in 1987 werd gelanceerd.
Een klassieker die 25 jaar meeging
De eerste Range Rover was zijn tijd zo ver vooruit dat hij meer dan vijfentwintig jaar in productie bleef en goed verkocht. In de jaren zeventig werd er weinig gewijzigd. Het waren donkere tijden voor de Britse auto-industrie, met een driedaagse werkweek en algemene politieke onrust. Er was heel weinig ontwikkelingsbudget en de Range Rover deed het goed. Waarom veranderen? British Leyland zat verlegen om cash en de toenmalige eigenaars van Land Rover gaven hun ontwikkelingsgeld elders uit.
Tegen de jaren tachtig nam het ontwikkelingstempo weer toe, en werd de wagen vooral luxueuzer gemaakt. De interieurbekleding kreeg regelmatig een upgrade en met tapijten, een lederen bekleding en een houtafwerking werd de Range Rover een waardig alternatief voor luxeberlines. Een pionier.
De aluminium V8-motor van 3,5 liter werd uitgeboord tot 3,9 liter in 1989 en vervolgens tot 4,2 liter in 1992 om de prestaties en het raffinement te verbeteren. De drietrapsautomaat van Chrysler, die werd gelanceerd in 1982, werd in 1985 vervangen door een soepelere en efficiëntere viertrapsautomaat van ZF die zijn aantrekkingskracht nog versterkte.
Een versie met lange wielbasis, de LSE, en een in de hoogte verstelbare elektronische ophanging, kwam uit in 1992, enkele jaren voor de lancering van de volgende Range Rover. De elektronische ophanging was ook als optie verkrijgbaar voor de normale versie met een wielbasis van 100”.
De tweede Range Rover-generatie, de P38a
De tweede Range Rover-generatie, die nu vaak wordt aangeduid als P38a (naar gebouw 38A in de fabriek van Solihull waar hij werd ontwikkeld), tilde de luxe, de wegcapaciteiten en de veelzijdigheid op het terrein naar nieuwe hoogten. Het was een evolutionair ontwerp, dat volgens de persmap veel belangrijke designelementen overnam van het klassieke model. Er werd overvloedig gebruik gemaakt van walnotenhout en leder om het luxekarakter van de auto te onderstrepen en eigenaars van klassieke luxewagens over de streep te trekken.
Het motorpalet omvatte drie krachtbronnen, waaronder een 2.5 liter V6 turbodiesel van BMW, die aanzienlijk beter presteerde dan de oude diesel van de Classic, en de 3.9 liter en 4.6 liter versies van de uit aluminium vervaardigde V8-motor van Rover. De 4.6 liter bezorgde de wagen een topsnelheid van 200 km/u en een sprint van 0 tot 100 km/u in minder dan 10 seconden. Dat maakte hem tot de snelste in serie gebouwde Range Rover ooit.
De in de hoogte verstelbare pneumatische ophanging, die debuteerde toen de Classic zijn laatste adem uitblies, werd verder ontwikkeld voor de P38a en werd standaard aangeboden om het rijcomfort en terreinpotentieel naar ongekende hoogten te tillen.
Derde generatie van de Range Rover, de L322
De jongste Range Rover betekende een grote sprong voorwaarts. Hij werd gelanceerd in 2001 en vestigde nieuwe normen voor luxe en weg- en terreincapaciteiten in het 4x4-segment. CEO Bob Dover noemde hem “‘s werelds meest capabele wagen, met de uitgebreidste capaciteiten van alle wagens ooit gebouwd.”
Enkele van de nieuwigheden waren het stijvere zelfdragende koetswerk (ter vervanging van het klassieke 4x4-ladderframe) en de volledig onafhankelijke ophanging met onderling verbonden luchtveren (bijna alle 4x4-modellen hadden toen stijve assen, en dat is bij veel modellen nog steeds zo). Het interieur werd ook gelauwerd als het meest verfijnde van alle auto-interieurs.
Bij de lancering van de wagen zei Dr. Wolfgang Reitzle, hoofd van Fords Premier Automotive Group (waarvan Land Rover deel uitmaakte): “De nieuwe Range Rover is een uitzonderlijke wagen. Door zijn unieke combinatie van terreincapaciteiten en luxe leunt hij dichter aan bij de meest verfijnde luxeberlines ter wereld dan bij andere 4x4-modellen.”